Logo Utrecht University

Language Dynamics in the Dutch Golden Age

Projectomschrijving

De Nederlandse Gouden Eeuw was een dynamisch tijdperk waarin er vernieuwingen plaatsvonden op vele terreinen, zoals cultuur, religie, wetenschap en handel. Ook de taal was volop in beweging. Het Nederlands, de eenheidstaal van de nieuwe Republiek, werd in steeds meer domeinen van de samenleving gebruikt (zoals het religieuze en wetenschappelijke domein) en er werden vele pogingen ondernomen om de positie van de moedertaal te versterken en de taal te standaardiseren. Zo kwamen medewerkers aan de Statenvertaling, afkomstig uit verschillende regio’s, formele taalafspraken overeen. Ook natuurlijke taalontwikkelingen hadden een impact op het Nederlands: steeds meer eigenschappen uit het Middelnederlands (bijvoorbeeld naamval) verdwenen om plaats te maken voor nieuwe eigenschappen (zoals het gebruik van voorzetselgroepen).

Deze taalontwikkelingen resulteerden in veel variatie binnen het taalgebruik van auteurs. Het taalsysteem van een zeventiende-eeuwer bevatte bijvoorbeeld drie manieren om uit te drukken dat vader een broek bezit: vaders broek, de broek des vaders en de broek van vader. Dit project gaat in op de vraag waarom in een bepaalde situatie een van deze opties werd gebruikt. Hing dat samen met de regels van het genre, de afspraken die werden gemaakt in het Statenbijbelproject of de sociale achtergrond van het beoogde publiek?

Dit project onderzoekt deze nog zo weinig bestudeerde intra-author variation, en wil begrijpen welke factoren die variatie tot stand brachten: hoe ontstond de intra-author variation in het zeventiende-eeuws Nederlands? Onze hypothese is dat de variatie het resultaat was van een dynamische interactie tussen het interne taalsysteem van taalgebruikers enerzijds en hun sociaal/literair-culturele context anderzijds. Het taalsysteem van een taalgebruiker maakte variatiemogelijkheden beschikbaar, die vervolgens door een taalgebruiker systematisch en vaak strategisch werden ingezet, afhankelijk van bijvoorbeeld het publiek of de doelstellingen en literaire vormgeving van zijn tekst.

We zullen een voorbeeld geven van het type verschijnselen waar we naar kijken, namelijk negatie. In het Middelnederlands werden zinnen ontkennend gemaakt door tweeledige negaties van het type en…niet (vergelijk het Franse ne…pas). In de zeventiende eeuw maakte deze vorm van negatie langzaam plaats voor eenledige negaties: ic en sal niet moghen gaen werd steeds vaker ik zal niet mogen gaan. Hooft gebruikte in zijn brieven eenledige en tweeledige negaties door elkaar. Was dat toeval of zit er systematiek achter zijn keuzes? Op basis van ons vooronderzoek denken wij dat in het interne taalsysteem van Hooft de twee typen negaties een verschillende lading kregen. Zo gaf Hooft zinnen van het type ‘niet dit, maar dat’ extra nadruk door de tweeledige ontkenning toe te voegen: ‘Ick en zoek de rouw niet, maer zij weet mij te vinden’ (Hooft 1624). Daarnaast lijkt de sociaal-culturele context relevant te zijn voor zijn keuzes. Juist in zijn brief aan zijn geliefde Eleonora Hellemans, waarin hij haar afwijzing betreurt, komen dubbele negaties vaker voor dan in andere brieven.

Hooft bezit dus blijkbaar een ‘subgrammatica’ – ofwel een ‘register’ – met twee negatie-varianten dat hij inzet in bepaalde situaties. In andere gevallen gebruikt hij juist zijn register met alleen eenledige negaties. Hoe dat werkt, willen we in dit project onderzoeken via drie samenhangende deelprojecten, waarin teksten van verschillende auteurs worden onderzocht. We kijken bijvoorbeeld zowel naar zowel taalkunstenaars die het Nederlands actief wilden vernieuwen en verfraaien (zoals Bredero en Hooft) als naar taalgebruikers die geschreven taal inzetten als een praktisch communicatiemiddel (Michiel de Ruyter), en combineren mannen met vrouwen, en migranten met in de Republiek geboren en getogen auteurs.

De eerste twee deelprojecten, gericht op de kwalitatieve analyse van case studies, worden uitgevoerd door AiO’s. Deelproject 1 verklaart intra-author variation vanuit het interne taalsysteem en deelproject 2 vanuit de literair-culturele context. Het postdoc-project legt op grootschalige wijze patronen van intra-author variation bloot, om zo de resultaten van de andere deelprojecten te testen en nieuwe variatiepatronen op het spoor te komen. Om dit kwantitatieve onderzoek uit te voeren, zal de postdoc nieuwe tools ontwikkelen om teksten uit het zeventiende-eeuws Nederlands te voorzien van syntactische informatie en automatisch te doorzoeken op syntactische structuren. De resultaten van deze drie deelprojecten zullen worden samengebracht in een aantal synthetiserende studies.

Innovatief aan dit project is de interdisciplinaire aanpak: het combineert methodiek en theorievorming uit de theoretische taalkunde, historische sociolinguïstiek, computationele taalkunde en vroegmoderne letterkunde. De variatie binnen taalgebruikers wordt normaal gesproken door theoretisch taalkundigen verklaard vanuit het taalsysteem en binnen de historische sociolinguïstiek vanuit sociale variabelen zoals geslacht en sociale klasse. Dit project brengt de beide perspectieven samen, en voegt daar een letterkundige benadering aan toe, om op die manier beter inzicht te krijgen in de literaire aspecten van taalvariatie binnen auteurs (zoals genreconventies) en in het strategische en creatieve gebruik van taalvariatie. Daarnaast profiteert dit project van recente ontwikkelingen in de computationele taalkunde. Dankzij de vernieuwende interdisciplinaire aanpak werpt dit project licht op zowel de grammaticale kenmerken als de literaire en culturele factoren die taalvariatie tot stand brachten in een tijd van intensieve taalontwikkeling